Vanochtend vertrekken we uit Toro. Het kleine stadje met amper 8500 inwoners staat bekend om z’n oude centrum met stukken stadsmuur, een fort en mooie oude kerken en huizen. Het is befaamd om de ‘Toro-Bravo’ stieren, dé imposante zwarte stieren die gebruikt worden voor het stierenvechten, worden in deze regio gefokt. En natuurlijk de Semana del Toro, de week van de stier, een feest dat elk jaar in de zomer wordt gehouden waarbij de Spaanse tradities als stierenrennen en stierenvechten beoefend worden. Met zo veel ‘toro’ vraag je je natuurlijk af: “Wat was er eerder? De stadsnaam of de stier?” Het stierenvechten kwam in de 13e eeuw echt op. De plaatsnaam is niet afgeleid van toro/stier, maar van het Latijnse woord voor toren, “turris”, vanwege een toren die hier destijds bovenaan de kliffen stond. In dit geval was de plaats dus eerder dan de stier. Maar waar de plaats zich echt onsterfelijk mee heeft gemaakt, is het gebruik van wijn in plaats van water in het cement van de kerk Santa Maria la Mayor. Water was destijds zo schaars en duur, dat wijn goedkoper en meer voor handen was dan water, zo wordt gezegd. Maar het zou ook kunnen dat het werd gebruikt omdat het zuur in de wijn de droogtijd van het cement zou verkorten. In ieder geval is het een mooi verhaal en het zegt iets over de streek en de historie van het stadje.
We hebben gisteren in ieder geval net even met andere ogen naar de kerk naast ons hotel gekeken.
We dalen af over de steile helling richting de vlakte van de Douro. Vanaf hier lijkt het rivierdal wel gladgestreken. Het is een groene strook van een paar kilometer breed, slingerend tussen de heuvels. Langs de rivier staan hoge populieren, dus je kunt alleen aan de bomen zien dat ze daar stroomt, de rivier zelf laat zich maar weinig zien vanaf hierboven. Eenmaal beneden lopen we over de schitterende oude brug naar de andere oever. Het is nog vroeg en het wemelt er van de vogels. Witte reigers, grijze reigers, eenden en aalscholvers, zwaluwen, puttertjes en rode wouwen. Tussen de waterplanten zwemmen grote vissen, het is een paradijsje voor de dieren. Een paar kilometer van het water af is het landschap weer een stuk droger. Ook het weer is met maximum temperaturen van tussen de 20 en 25 graden met af en toe een druppel regen prima voor ons, en ook voor de natuur, die is het hier wel anders gewend. Het is geen makkelijk gebied voor dieren en planten. De winter is lang en streng, temperaturen tot -10 zijn in de wintermaanden heel gewoon. De zomer is kort, maar heftig, dan wordt het tegen de 40 graden. Ook regen valt er niet veel, gemiddeld zo tussen de 400 en 500 mm per jaar, de helft van de gemiddelde neerslag in Nederland. De mooie groene strook landbouw heeft z’n kleur dan ook voornamelijk te danken aan het water van de rivier. We lopen kilometer na kilometer naast kanaaltjes met poortjes en grote pompen naast de velden, die aan de gang worden gehouden door luidruchtige aggregaten, om overal waar het nodig is ze van water te voorzien. Her en der laten de boeren de velden gewoon onderlopen, maar er wordt ook veel beregend. Meestal zijn de sproeiers goed op de paden afgesteld, maar af en toe moeten we aardig rennen om een douche te voorkomen, wat mééstal lukt… Gelukkig laat de zon zich af en toe zien, dus koud krijgen we het niet. Op de velden die onder water staan zien we gewassen die op wikke lijken, het zijn fragiele plantjes met kleine witte bloemen. We zoeken ze op en het blijken kikkererwten te zijn. Een van de oudst geteelde gewassen, al meer dan 9.000 jaar, die z’n oorsprong kent in het Middellandse Zeegebied maar dan eigenlijk aan de andere kant, meer richting Turkije. Het zorgt voor mooie velden, we komen ze vandaag nog vaker tegen langs de route.
De etappe van vandaag blijft behoorlijk vlak tussen de landbouwgronden. Iets over de helft lopen we een stukje van de route af om langs de rivier te pauzeren. We maken een lange pauze, want op de volgende plek kunnen we pas om 15 uur terecht. En Spanje heeft ons inmiddels wel geleerd dat je dan echt niet om klokslag 15 uur daar aan moet komen, om ongemakkelijke situaties te voorkomen. We drinken dus een extra kopje koffie op dit mooie plekje. Heerlijk!
Na de pauze vliegen de kilometers voorbij. Met de rivier aan onze linkerkant, nog steeds goed verhuld door struiken en bomen, en een stuk verder aan onze rechterzijde de lage heuvels aan de rand van het rivierdal. Dit blijft een beetje hetzelfde tot we zo’n twee kilometer voor Castronuño, het plaatsje waar we vannacht zullen slapen, bij een brug over de rivier aankomen. Deze brug zullen we morgen oversteken, nu lopen we nog een stuk langs een asfaltweg door naar het dorp. De rivier is hier door een dam een stuk breder en het dal een stuk smaller. Het is een schitterend stukje natuur, zeker aan de overkant, waar we morgen doorheen zullen lopen. Maar ook aan deze kant komen we net voor het dorp door een moerassig bos, waar we over vlonders langs het riet kunnen lopen. Zoveel water hebben we al lang niet meer gezien. Misschien dat we vanavond nog een wandelingetje gaan maken om dit stuk wat rustiger te kunnen bekijken, maar eerst op naar de Casa Rural. Het is even zoeken, maar het blijkt een super knus ingericht dorpshuis te zijn. Met een vriendelijke eigenaresse die ons zichtbaar trots een rondleiding door het huis en tuin geeft. Het is een mooie, rustige plek voor een goeie nacht. Morgen weer een langere etappe van meer dan 30 kilometer, dus we zullen de rust nodig hebben.